Steun ons en help Nederland vooruit

woensdag 8 oktober 2014

Vreemde gang van zaken rond kunstgrasveld HSV-3

Maandagavond 6 oktober heeft D66 Heiloo geprobeerd om in de gemeenteraad een interpellatiedebat te houden over de gang van zaken rond het kunstgrasveld van HSV. Helaas lieten de coalitiepartijen deze interpellatie niet toe. Daarom worden de vragen die D66 had nu gesteld als schriftelijke vragen.

Hieronder de reden waarom Fons Hopman de vragen wilde stellen en de vragen zelf:

In de gemeenteraadsvergadering van gisteren kreeg ik geen toestemming voor een interpellatie over de kunstgrasvelden. Ik vind dat jammer, omdat daarmee een goed debat over de toch erg wonderlijke gang van zaken niet mogelijk was, waardoor de gemeenteraad de nodige informatie om het college te kunnen controleren niet kon (voor het belangrijkste deel niet wilde) krijgen, en de portefeuillehouder en het college de mogelijkheid werd onthouden zich publiekelijk te verantwoorden over de bijzondere en, naar ik aanneem voor een ieder onbevredigende gang van zaken. Ik meen dat de publieke zaak en het democratisch gehalte van het bestuur (gemeenteraad en college) gediend is met duidelijkheid en transparantie. Daarbij vind ik dat het dualisme van gemeenteraadsleden een kritische houding vereist, en dat het debat met het college eerder moet worden opgezocht dan moet worden vermeden. Wat dat zegt over de manier waarop de collegepartijen (die zonder enige toelichting toestemming voor een interpellatie weigerden) invulling geven aan hun controlerende taak en het dualisme laat ik hier in het midden. Wel moet mij van het hart dat ik het netjes had gevonden als voor deze klaarblijkelijk onderling afgestemde actie een verklaring was gegeven.

De directe aanleiding van deze schriftelijke vragen is de gang van zaken rond de vernieuwing van het kunstgrasveld van HSV. Deze gang van zaken roept veel vragen op rond de zorgvuldigheid waarmee het college deze zaak heeft behandeld, de manier waarop het college omgaat met rechterlijke uitspraken, de manier waarop het college communiceert met de gemeenteraad en pers. Maar ook andere affaires zijn aanleiding tot deze vragen. Ik doel daarmee op de behandeling van de Wet Markt en Overheid, waarbij de peuterspeelzalen en de Muziek- en Dansschool uit de krant moesten vernemen dat zij getroffen waren, en de affaire Trias. Ook de Golfclub moest eerst een dwingende brief schrijven voordat er overleg met de gemeente plaatsvond. Dit wekt twijfel op over de manier waarop het college omgaat met de maatschappelijke organisaties in het dorp.

Vragen

  1. In mei 2013 heeft HSV het college gevraagd het kunstgrasveld te laten keuren, omdat men vermoedde dat de vele blessures van leden van de vereniging te maken hadden met de staat van het veld.
    1. Kunt u die bezorgdheid begrijpen?
  2. Op 17 januari 2014 heeft Kiwa in opdracht van het college het veld gekeurd. Kiwa keurde het veld af, en adviseerde het veld te renoveren. Ook stelde Kiwa: “De kans is zeer groot dat er een onveilige situatie kan ontstaan en blessures kunnen optreden.” HSV heeft toen besloten om geen gebruik meer te maken van het veld, omdat het bestuur zijn leden niet nodeloos bloot wilde stellen aan blessuregevaar.
    1. Kunt u die opstelling van het bestuur begrijpen?
    2. Vindt u dat de gemeente als verhuurder eveneens een verantwoordelijkheid heeft voor de veiligheid van het veld? Zo nee, waarom niet?
  3. U heeft het rapport van Kiwa ondanks herhaald verzoek niet aan HSV doen toekomen. Daardoor was HSV bij de bespreking op 24 maart 2014 niet goed op de hoogte van de bevindingen van Kiwa.
    1. Vindt het college dat de gemeente op basis van gelijkwaardigheid met de maatschappelijke instellingen in het dorp moet overleggen? Zo ja, waarom heeft u HSV het rapport dan niet eerder doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
  4. In het gesprek van 24 maart 2014 werd door de gemeente gesteld dat het “opkloppen” van het veld zou voldoen. HSV kreeg pas na het gesprek het rapport mee, en concludeerde dat die oplossing onjuist was. Daarop stuurde HSV de gemeente op 28 maart een brief.
    1. Waarom heeft het college die afspraak afgezegd?
  5. Vervolgens werd er weliswaar gecommuniceerd, maar een voor beide partijen acceptabele oplossing kwam er niet. Er was een afspraak gepland op 24 april 2014, die door de gemeente werd afgezegd.
  6. Het lijkt erop dat het college ondertussen bezig was met het onderzoeken van een goede oplossing. Maar HSV was daarvan niet op de hoogte, ondanks herhaalde verzoeken tot informatie.
    1. Welke activiteiten ondernam de gemeente?
    2. Als de gemeente activiteiten ondernam, waarom werd HSV daar niet van op de hoogte gesteld?
    3. Is het college het met onze fractie eens dat communicatie over die activiteiten escalatie van dit probleem had voorkomen?
  7. Omdat de tijd drong, voelde HSV zich (blijkbaar) genoodzaakt een kort geding aan te gaan.
    1. Afgezien van een kwalificatie van het feit dat HSV een kort geding aanspande, had het college er niet beter aan gedaan om (eventueel desondanks) het gesprek aan te gaan om juridische procedures te vermijden? Een juridische procedure kan immers op elk moment worden gestaakt. Nu zijn de kosten (zie vraag 14 a) vele malen groter dan de kosten die de reparatie van het veld werkelijk zijn.
    2. Heeft het college overleg gezocht met HSV over de reden van het aangaan van een kort geding? Zo nee, waarom niet?
  8. De rechter in kort geding stelde HSV in het gelijk. Het college nam daarop heel stellig het standpunt in dat de rechter ongelijk had, en de gemeente de dwangsom niet hoefde te betalen.
    1. Waarom heeft het college die rechterlijke uitspraak naast zich neergelegd, en daarmee het risico gelopen de opgelegde dwangsom te verbeuren?
  9. Pas na verloop van tijd gaf het college de opdracht het kunstgrasveld te herstellen. Daarmee verbeurde het college de dwangsom. Het college nam wederom heel stellig het standpunt in dat deze dwangsom niet zou hoeven te worden betaald. Het kwalificeerde de rechterlijke uitspraak als “een onjuiste uitspraak” en “een onterechte uitspraak”.
    1. Waarop baseerde het college dit standpunt?
    2. Is het college het met onze fractie eens dat alleen een hogere rechter kan bepalen dat een rechterlijke uitspraak “onjuist” of “onterecht” is?
    3. Hoe oordeelt het college in dat licht over de kwalificaties die het publiekelijk aan de uitspraak in kort geding heeft gegeven?
    4. Hoe ziet het college de verhouding tussen een bestuursorgaan en de rechterlijke macht?
    5. Vindt het college het terecht om een uitspraak die naar zijn aard direct ten uitvoer moet worden gebracht, naast zich neer te leggen?
    6. Zou het college die gedragswijze accepteren van een burger die een gemeentelijke beslissing naast zich neerlegt?
    7. Vindt het college dat het een juiste voorbeeldfunctie heeft vervuld als het gaat om de vraag hoe burgers om zouden moeten gaan met rechterlijke uitspraken (en in het verlengde daarvan met bestuurlijke beslissingen)?
  10. De gemeenteraad moest de gebeurtenissen vernemen via de pers.
  11. Vindt het college dat een juiste handelswijze? Zo ja, waarom?
  12. Toen het gerechtshof in hoger beroep de dwangsom die in het kort geding was bepaald in stand liet, nam portefeuillehouder Opdam via de pers het standpunt in dat die dwangsom door HSV niet zou mogen worden opgeëist, omdat het college inmiddels het kunstgrasveld had hersteld.
    1. Op welke juridische overwegingen baseerde de portefeuillehouder dit standpunt?
    2. Is het college het met onze fractie eens dat een dwangsom zonder meer is verbeurd als de fatale termijn wordt overschreven?
    3. Stelt de portefeuillehouder zich nog steeds op het standpunt dat HSV de dwangsom niet had mogen opeisen?
  13. Ook nam de portefeuillehouder in de pers het standpunt in dat de dwangsom ten laste van het budget voor sportverenigingen zal komen.
    1. Is het college van mening dat een dergelijk standpunt kan worden ingenomen zonder voorafgaand overleg met de gemeenteraad, die immers het budgetrecht heeft? Zo ja, waarom , zo nee, waarom is die uitspraak dan gedaan?
    2. Handhaaft het college dit standpunt? Zo ja, waarom, zo nee, welke consequenties verbindt het college daaraan.
    3. Wat waren de overwegingen van de portefeuillehouder om dit standpunt ongevraagd in de pers kenbaar te maken? En waarom op dat specifieke moment?
  14. Een dergelijke uitspraak kan immers gemakkelijk als intimiderend worden ervaren door maatschappelijke organisaties: ook als dat niet de bedoeling was, zou de suggestie kunnen worden gewekt dat de kosten die voor de gemeente voortvloeien uit een gerechtelijke procedure, ten koste van de beschikbare middelen voor die organisaties komen.
    1. Vindt het college het terecht dat dergelijke kosten ten laste van het budget van die organisaties komen? Ook als blijkt dat die organisatie in zijn recht staat?
    2. Vindt het college dat maatschappelijke organisaties (en individuele burgers) ongehinderd de rechtsgangen moeten kunnen bewandelen die onze rechtsstaat hen biedt?
    3. Wat vindt het college in het licht van bovenstaande van de uitspraak van de portefeuillehouder?
  15. In het NHD van zaterdag 27 september staat het artikel “Gemeente moet HSV betalen” .Het Hof in Amsterdam heeft het college in hoger beroep in het ongelijk gesteld. Het artikel in het NHD stelt dat het Hof oa de volgende overwegingen had:
      1. “De gemeente heeft de indruk gewekt niet voortvarend en adequaat met de zaak te zijn omgegaan, zelfs niet na de veroordeling.”
      2. “De gemeente heeft een groot risico genomen door lange tijd niets te ondernemen. Ook na het vonnis, waarin dwangsommen zijn opgelegd, heeft de gemeente geen stappen ondernomen om het veld te verbeteren.”
      3. “Het lijkt erop dat de gemeente de strekking van het vonnis heeft miskend, en ten onrechte meent dat zij zich aan de uitgesproken veroordeling niet hoeft te houden.”
    1. Wat vindt het college ervan dat het Hof het gedrag van het college zo zwaar veroordeelt?
    2. Geeft de uitspraak van het gerechtshof het college aanleiding tot het trekken van lessen voor de toekomst? Zo ja welke?
  16. Het artikel stelt ook dat het Hof de gemeente (naast de dwangsom van €31.000) ook heeft veroordeeld in de proceskosten en de advocaatkosten van HSV. Daarnaast heeft de gemeente zelf een advocaat in de hand genomen, die nogal wat tijd lijkt te hebben besteed aan het stellen van vragen aan HSV. Ook zullen aan deze affaire de nodige ambtelijke uren zijn besteed.
    1. Wat zijn de totale en gespecificeerde kosten van deze affaire voor de gemeente?
    2. Kan het college de verhouding tussen de (totale) werkelijke en noodzakelijke kosten aangeven?
    3. Wie is naar de mening van het college verantwoordelijk voor het ontstaan van die kosten?
  17. Het college stelt volgens het artikel in het NHD nog steeds dat de dwangsom “ten onrechte door HSV wordt opgeëist”.
    1. Waarop baseert het college die mening nu de rechter al in twee instanties anders heeft geoordeeld?
  18. Tenslotte staat in het artikel in de NHD: ”Het college beraadt zich op vervolgstappen.”
    1. Is het college van mening dat de rechterlijke macht in twee instanties heeft gedwaald? Zo ja, waarop baseert het college dat standpunt? Zo nee, waarom legt het college zich dan niet gewoon neer bij beide rechterlijke uitspraken?
    2. Aan welke vervolgstappen denkt het college dan? En welke kosten brengen die met zich mee?
    3. Kan het college garanderen dat het volhardende gedrag van het college er toe leidt dat de gemaakte kosten terug worden gestort, in plaats dat er nog meer kosten worden gemaakt?
  19. De uitspraken van beide rechters kunnen ook een precedentwerking hebben bij andere renovaties van sportvelden. Verenigingen hebben deze uitspraken nu immers in handen.
    1. Is het college het met deze observatie eens, zo ja, vindt het college dan dat ze deze procedure zo hard had moeten inzetten, zo nee, waarom niet?
  20. Niet alleen is het imago van het college en de gemeente in deze affaire beschadigd, maar ook dat van HSV. Wil het college zijn excuses aanbieden aan HSV, een punt zetten achter deze affaire en het initiatief nemen om met HSV een constructief gesprek aan te gaan over de toekomst?